Meer dan tweeduizend jaar geleden zat Archimedes met een probleem toen hij in bad stapte. De koning
verdacht de goudsmid ervan zijn kroon niet van puur goud te hebben gemaakt. Hij vroeg Archimedes om uit te zoeken of zijn
vermoeden klopte. Archimedes piekerde zich suf hoe hij dat probleem moest oplossen, want het was natuurlijk niet de bedoeling
dat hij de kroon kapot zou maken.
Toevallig had zijn bediende het bad nogal vol gedaan, zodat het water over de rand heen liep toen Archimedes
erin stapte. Op dat moment schoot hem te binnen hoe hij zijn probleem kon oplossen.
Vervolgens sprong hij uit zijn bad en rende in z’n bloodje de straat op, terwijl hij riep “Eureka!”
Hij woog hoe zwaar de kroon was. Daarna woog hij eenzelfde hoeveelheid zuiver goud af. Het goud liet
hij in een bak met water zakken en hij gaf nauwkeurig aan hoe hoog het water kwam.
Vervolgens dompelde hij de kroon in dezelfde bak met water. Als de kroon van zuiver goud was, zou het
water precies even hoog moeten komen. Maar als de goudsmid een ander metaal, bijvoorbeeld zilver, dat veel lichter is, had
gebruikt, zou het water hoger komen omdat om hetzelfde gewicht te krijgen, meer materiaal nodig was.
Zo ontdekte Archimedes dat de kroon inderdaad niet van zuiver goud gemaakt was. Dat was goed nieuws
voor hem, maar niet voor de bedrieger!
Aangezien Archimedes een badkuip had, bedacht hij nog veel meer stellingen over het drijven en zinken
van voorwerpen, onder andere de beroemde wet van Archimedes. In de scheepsbouw is later nog veel gebruik gemaakt van deze
wet. Als hij in plaats van een bad een douche had gehad, had de geschiedenis van de scheepvaart er waarschijnlijk heel anders
uit gezien.